Faillissement? Verhuurder van roerende zaken beter af

Reorganisatie & faillissement

Faillissement? Verhuurder van roerende zaken beter af

Bij een faillissement gaat de meeste aandacht vaak naar de verhuurder van de onroerende zaken. Maar ook de verhuurder van inventaris kan als boedelschuldeiser worden aangemerkt.

Het faillissement van een huurder heeft vaak onaangename gevolgen voor verhuurders. De huurder betaalt de huurprijs niet meer en de verhuurder moet maar afwachten wanneer hij weer de beschikking krijgt over het gehuurde en/of zijn vordering nog betaald wordt. In de faillissementswet is bepaald dat de huurprijs die de huurder verschuldigd is van de dag van faillietverklaring totdat de huurovereenkomst door opzegging is geëindigd een boedelschuld is. Dit betekent dat de curator de huurprijs onmiddellijk moet voldoen, als er voldoende boedel actief is. Tot op heden was onduidelijk of dit ook gold voor roerende zaken. Recent is duidelijkheid geschapen.

Huurprijs roerende zaken is boedelschuld
De Hoge Raad heeft bepaald dat, in het geval van faillissement van een huurder, ook de huurprijs van roerende zaken vanaf de dag van de faillietverklaring tot de dag dat de huurovereenkomst door opzegging is geëindigd een boedelschuld is. Inventaris, machines, auto’s en andere duurzame zaken die in alle branches voor de bedrijfsvoering gebruikt worden behoort daartoe. Wat betekent dit voor de verhuurder? Deze wordt als boedelschuldeiser in het faillissement van de huurder aangemerkt en krijgt daarmee een gunstigere uitgangspositie. Maar juich niet te snel: de faillissementskosten (het salaris en de verschotten van de curator en bijvoorbeeld veilingkosten en deurwaarderskosten) én de vordering van werknemers voor het salaris vanaf de datum van het uitspreken van het faillissement, hebben nog altijd voorrang.

Lagere huurprijs
In veel gevallen is het dus verstandig om met de huurder in gesprek te gaan en te kijken of het verlagen van de huurprijs een optie is om een faillissement af te wenden. Dit heeft uiteraard eerder kans van slagen als het gaat om aanzienlijke huurprijzen. Het zal dus bij de verhuur van onroerende zaken eerder uitkomst bieden dan bij de verhuur van roerende zaken.

Keuzes
Als je als verhuurder toch met het faillissement van een huurder geconfronteerd wordt,  zijn er verschillende mogelijkheden. Opzegging op grond van de faillissementswet, beëindiging op basis van een contractueel beding of ontbinding van de overeenkomst. De wijze van beëindiging kan van invloed zijn op de termijn waarop een verhuurder weer over het gehuurde kan beschikken en de omvang van de vordering waarop bij een curator aanspraak kan worden gemaakt. Zo weten we inmiddels dat alleen bij een beëindiging op grond van de faillissementswet door de verhuurder aanspraak gemaakt kan worden op voldoening van de boedelschuld (dus de huurpenningen tijdens het faillissement) en de achterstallige huurtermijnen (van vóór datum faillissement). Er is dan sprake van een regelmatige wijze van beëindiging en dus komt een schadevergoedingsvordering niet voor verificatie in aanmerking. Een ontbinding of beëindiging op basis van een contractueel beding geeft wel aanleiding tot verificatie van een schadevergoedingsvordering. Een keuze voor de ene of de andere beëindigingswijze moet dus weloverwogen worden gemaakt.

Ilse WarmerdamIlse Warmerdam is werkzaam binnen de sectie Ondernemingsrecht en houdt zich vooral bezig met rechtspersonen- en vennootschapsrecht en insolventierecht.