Adviesrecht ondernemingsraad bij ontslag bestuursleden

Personeel & organisatie

Adviesrecht ondernemingsraad bij ontslag bestuursleden

Het adviesrecht van de ondernemingsraad (“OR”) kan van toepassing zijn bij een beëindiging van het dienstverband van bestuursleden met wederzijds goedvinden.

Algemeen kader

De ondernemer is gehouden de OR in de gelegenheid te stellen advies uit te brengen over een voorgenomen besluit tot benoeming of ontslag van een bestuurder op grond van artikel 30 van de Wet op de ondernemingsraden (“WOR”). Een bestuurder is degene die rechtstreeks de hoogste zeggenschap bij de leiding van de arbeid heeft. Namens de ondernemer is de bestuurder de gesprekspartner van de ondernemingsraad.

Men ging er veelal vanuit dat de OR geen adviesrecht toekwam indien sprake is van:

  • ontslagname door de bestuurder; en/of
  • een beëindiging van het dienstverband van een bestuurder met wederzijds goedvinden.

Dit laatste geval (onder ii) dient te worden genuanceerd op grond van de Eneco beschikking van de Ondernemingskamer (“OK”) d.d. 18 juli 2018.

Feiten

Op Eneco is het volledige structuurregime van toepassing. De Raad van Commissarissen (“RvC”) benoemt en ontslaat dan de bestuurders en de commissarissen worden op voordracht van de RvC benoemd door de algemene vergadering van aandeelhouders (“AVA”). Voorts is er in onderhavig geval een aandeelhouderscommissie (“AHC”) als overlegplatform ingesteld. Na langdurige onenigheid tussen de Raad van Bestuur (“RvB”), de RvC en de AHC over onder meer het vertrek van de voorzitter van de RvB middels een vertrekregeling, wendt de OR zich tot de OK met het verzoek een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van Eneco.

Oordeel OK

Over het handelen van de RvC bij het vertrek van de bestuurder oordeelt de OK dat het vertrek een zo grote gelijkenis vertoont met een voorgenomen besluit tot ontslag, dat het daarmee op één lijn moet worden gesteld. Een andere opvatting zou ertoe leiden dat het adviesrecht van de OR in wezenlijke mate wordt uitgehold.

Immers, heeft de bestuurder niet langer het vertrouwen van de RvC, dan leidt dit onherroepelijk tot het vertrek van de bestuurder, ook zonder dat de RVC een formeel ontslagbesluit neemt. De OK concludeert dat de gang van zaken met betrekking tot het vertrek van de bestuurder gegronde redenen opleveren tot twijfel aan een juist beleid.

Dit betekent dat het adviesrecht van de OR van toepassing kan zijn in situaties waarin bestuursleden met wederzijds goedvinden uit dienst treden.

 

Aanbevelingen voor de arbeidsrechtpraktijk

Op grond van de Eneco beschikking verdient het aanbeveling om – vanuit het perspectief van de ondernemer – tijdig advies te vragen aan de OR. Het gaat om situaties waarbij bestuursleden feitelijk geen andere keus hebben dan afspraken maken over een vertrekregeling. Het advies dient op een zodanig tijdstip te worden gevraagd dat het nog van wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit. Daarbij komt dat de ondernemer de OR in kennis dient te stellen van de beweegredenen voor het besluit.

Vanuit het perspectief van de bestuursleden, verdient het aanbeveling om in vergelijkbare situaties – vóór aanvaarding van een vertrekregeling – op te werpen dat aan het adviesrecht geen gehoor is gegeven. Hiermee wordt de onderhandelingspositie van de bestuurder versterkt. De bestuurder kan voorts de OR verzoeken om naar de kantonrechter te stappen om aan te voeren dat de procedure niet (goed) is gevolgd en dat de bepalingen van artikel 30 van de WOR (alsnog) moeten worden nageleefd.